Van bacterie tot bewustzijn
- Carlo le Sage

- 16 jan
- 3 minuten om te lezen
Wat mitochondriën ons leren over ontwikkeling, energie en relatie
We zijn geneigd onszelf te zien als individuen: autonome wezens met een eigen wil, een eigen lichaam en een eigen geschiedenis. Maar biologisch gezien klopt dat beeld maar half. Wie kijkt naar de oorsprong van het leven, en naar wat zich nog steeds ín elke cel van ons lichaam afspeelt — ziet iets heel anders: ontwikkeling ontstaat door samenwerking.
Een van de meest fascinerende voorbeelden daarvan vinden we in onze mitochondriën.
We begonnen als eencelligen
Het eerste leven op aarde bestond uit eencellige organismen. Simpel, kwetsbaar, maar opmerkelijk veerkrachtig. Miljarden jaren lang was dit de dominante levensvorm.
Tot er iets gebeurde wat de loop van de evolutie fundamenteel veranderde.
Een grotere eencellige nam een bacterie op, maar in plaats van die te verteren, liet hij haar leven. Wat begon als een risico, werd een samenwerking. De bacterie leverde energie, de gastcel bood bescherming. Over miljoenen jaren groeide deze relatie uit tot iets nieuws: het mitochondrion.
Elke menselijke cel draagt deze geschiedenis nog steeds in zich.
Energie is relationeel
Mitochondriën produceren ATP: de energie die nodig is voor beweging, spanning, herstel en actie. Zonder mitochondriën geen spieractivatie, geen impuls, geen handelen.
Vanuit Bodynamic gezien is dat een intrigerend gegeven:
energie is geen abstract “willen”
energie is beschikbare mobilisatie in het lichaam
en die mobilisatie is alleen mogelijk binnen voldoende veiligheid
Biologisch én psychologisch geldt:
Zonder veilige samenwerking geen energie.
Ontwikkeling ontstaat niet alleen
Endosymbiose laat zien dat complexiteit niet ontstaat door afscheiding, maar door integratie. Iets wat eerst buiten was, wordt opgenomen en later een dragende functie.
Dat herkennen we direct in menselijke ontwikkeling:
regulatie ontstaat eerst tussen mensen
wordt daarna geïnternaliseerd
en pas later zelfgedragen
In Bodynamic spreken we niet voor niets over ontwikkelingsfasen die afhankelijk zijn van relationele ervaringen. Functies zoals:
impuls
wil
begrenzing
autonomie
kunnen zich alleen ontwikkelen wanneer het lichaam zich veilig genoeg voelt om ze toe te laten.
Autonomie is geen onafhankelijkheid
Mitochondriën zijn geen losse onderdelen. Ze hebben nog eigen DNA, maar kunnen niet buiten de cel bestaan. Hun kracht zit in samenwerking met behoud van verschil.
Dat biedt een krachtig tegenbeeld voor het westerse ideaal van radicale zelfstandigheid.
Gezonde autonomie betekent niet:
“Ik heb niemand nodig”
Maar:
“Ik kan mijzelf reguleren omdat ik ooit gedragen werd”
In Bodynamic termen: autonomie is een belichaamde functie, geen mentale overtuiging.
Trauma: wanneer samenwerking faalt
Bij trauma zien we wat er gebeurt wanneer de omgeving te onveilig of te onvoorspelbaar is:
energie wordt geblokkeerd of schiet door
impulsen worden onderdrukt of ongefilterd uitgevoerd
spieren compenseren chronisch
Het systeem wordt duur in onderhoud.
Therapie biedt dan geen ‘inzicht-oplossing’, maar een nieuwe mogelijkheid tot veilige co-regulatie. Pas wanneer het lichaam zich opnieuw kan afstemmen, ontstaat er ruimte voor keuze, timing en richting.
Wat dit betekent voor lichaamsgerichte therapie
Deze biologische oorsprong herinnert ons aan iets essentieels:
Ontwikkeling is geen prestatie
Autonomie is geen strijd
Bewustzijn is geen beginpunt
Alles begint bij belichaamde samenwerking.
Of zoals ik het in Bodynamic-context vaak samenvat:
“Zonder veilige relatie geen energie,zonder energie geen keuze.”
Tot slot
Misschien zijn we minder “individueel” dan we denken.Misschien zijn we, tot op celniveau, relationele wezens.
En misschien is therapie daarom geen correctie van het individu, maar een plek waar het lichaam opnieuw mag ervaren:
Ik hoef het niet alleen te doen.



Opmerkingen